Artikel

De cloud is allang op aarde!

Waar komt de cloud ineens vandaan? En moeten we nu al kiezen voor cloud oplossingen of kunnen we beter wachten? De cloud is een volgende, logische stap in de evolutie van de IT. In feite is het een verzameling van concepten, die via particuliere gebruikers allang tot in de haarvaten van onze maatschappij is doorgedrongen. En medewerkers van bedrijven nemen hun persoonlijke voorkeuren mee naar het werk! Snelheid is dus geboden bij het in kaart brengen van de voor- en nadelen en het uitzetten van een koers, want anders zal de dagelijkse praktijk deze dicteren.

Wat is de cloud?

Als mensen gericht wordt gevraagd naar voorbeelden van cloud computing komen er uiteenlopende antwoorden. Deskundige IT-ers komen soms met de reactie “gebakken lucht”. Een iets inhoudelijker antwoord is “de computer uit het stopcontact”, waarbij met dat stopcontact dan natuurlijk de Internet-toegang wordt bedoeld, of dat nu via DSL, kabel, glasvezel of satelliet is.

Aan de ene kant hebben we de particuliere gebruikers. Zij hebben doorgaans een computer op hun bureau staan en kunnen dus zien dat deze niet “elders” is en ze werken dus blijkbaar niet “in de cloud”. Aan de andere kant hebben we de bedrijven die hun apparatuur in een herkenbare ruimte hebben staan en dus óók niet “in de cloud” werken. Al zien ze wel een soort droom- of spookbeeld opdoemen van een lege serverruimte en een stel rekeningen aan het eind van iedere maand, van leveranciers die niemand ooit in het echt heeft ontmoet.

Een slingerbeweging

De waarheid is genuanceerder, want de afgelopen decennia heeft zich ongemerkt een forse slingerbeweging voltrokken. Het gaat dan om de opkomst en de ondergang van de “personal computer”, die vermoedelijk niet eens echt wordt opgemerkt. Het uitkleden van de PC met parallel eraan de verdringing door netbooks en smart-phones, is onder meer mogelijk door de opkomst van wereldwijde, leverancieronafhankelijke standaarden voor gegevensuitwisseling. Het gaat dan vooral om technische standaarden die het Internet ons heeft gebracht, zoals HTTP, maar ook andere zoals XML dat vrij recent is ontstaan uit het werkelijk oeroude SGML. De onvoorstelbare toename van snelheid en capaciteit van de verbindingen voor datacommunicatie is óók een factor van belang. Een aantal jaren geleden vormden de kosten van datatransport zelfs een belemmering voor zaken als dubbele datacenters of een online backup.

Ook zeer recente ontwikkelingen als “virtualisatie” hebben onmiskenbaar een forse invloed gehad. Virtualisatie houdt in dat één computersysteem zich als een scala aan afzonderlijke machines kan voordoen – die elk zelfs een eigen versie van een operating system aan kunnen bieden. En dan werkelijk feilloos, dus niet zo knullig als bij de oude “386” of de dappere pogingen van zogenaamde “emulatoren” in het vorige millennium. Maar laten we even beginnen bij het begin.

Drie herkenbare delen van de computer

Een computer zoals die op veel bureaus staat, heeft vaak een harde schijf voor de gegevensopslag, een zogenaamde CPU (processor en bijbehorende elektronica die communiceert via een “operating system”) voor de rekenkracht en nog wat randapparatuur voor communicatie - waarbij het toetsenbord en het beeldscherm de belangrijkste zijn.

In een rekencentrum is de structuur niet wezenlijk anders, al staat daar een batterij aan harde schijven die zich samen als één geheel gedragen (bijv. een Storage Area Network, SAN). Verder staan er soms hele rekken vol met apparaten die ieder vol zitten met processoren, maar zich samen ook als één hele grote computer kunnen gedragen. Op die constructie is dan weer een scala aan programma’s geïnstalleerd, waarvan slechts een deel zichtbaar is voor gebruikers, omdat ze er (schijnbaar) direct mee communiceren. Als invoer en uitvoer gebruiken we vaak een complete PC, maar als de stekkers van beeldscherm en toetsenbord direct in de muur gestoken konden worden, zouden we dat doen. Bij printers doen we dat doorgaans al. Vooral in grotere organisaties is de PC dus eigenlijk niet veel meer dan een veredelde adapter. Iedereen begrijpt dat de èchte computer ergens anders, in een speciale zaal, staat.

Van centraal naar decentraal en weer terug

Alleen lezers boven een bepaalde leeftijd zullen zich de tijd van de “terminal” nog herinneren. Ergens centraal in een rekencentrum stond een grote computer, waarmee beeldschermen en toetsenborden elders, via speciale – merkgebonden! – kabels en stopcontacten, konden communiceren. Wat de centrale computer kon en deed werd door deskundigen vastgesteld, in overleg met degenen die betaalden, dus doorgaans het hoger management. En als een gebruiker iets wilde, dan kon dat soms wel eens worden gehonoreerd. Het scherm toonde slechts veertig regels van uitsluitend 80 of 120 elementaire tekens. Geen plaatjes dus, al kon men wel met wat streepjes en x-en soms primitieve grafieken tonen op zo’n terminal.

Toen kwam de microcomputer en greep het gewone volk de macht. Kleur, grafiek, animatie, geluid, handige tekstverwerkers en rekenbladen – allemaal op het eigen bureau, naar eigen smaak ingericht. Alleen leidde dit tot zogenaamde “eiland-automatisering” die pas kon worden opgelost toen de “netwerken” kwamen. En met de netwerken reïncarneerden de centrale computers, maar nu als “server”. Eerst was dat vooral een gemeenschappelijke opslag, maar geleidelijk werd daar ook de software ondergebracht. De gebruikers gaven echter hun verworven rechten niet op en het was dan ook onvermijdelijk dat er decentraal zogenaamde “client” software bleef staan. Pas met de komst van de Internet-browsers konden deze de functie van een universele standaard-client vervullen. De browser is nog steeds een (thin) client, maar aangezien iedereen er één heeft valt dit niet meer op. Voor de applicaties die nog op de oude manier werkten werd “terminal server computing” (bijv. Citrix) als een tussenvorm ontwikkeld, die misschien ruim twee decennia zal gaan overbruggen. Maar toch bewegen we onvermijdelijk naar het zogenaamde “web-based” computing, waarbij een browser communiceert met het centrale systeem. Of eigenlijk met een scala aan centrale systemen, want waar de applicaties staan maakt doorgaans niet uit. Die browser dient hoogstens te worden ondersteund door een paar “plugins” als Flash, of ondersteunende programma’s als Acrobat Reader, Word, Excel of Open Office, maar geleidelijk aan zal alles vermoedelijk tot de standaardinstallatie gaan behoren.

Waar zijn mijn programma’s en mijn gegevens?

Privé zijn weinig gebruikers zich bewust van het feit dat hun mail, foto’s, video’s, muziek en blogs nog zelden integraal op hun eigen computer zijn opgeslagen. In toenemende mate wordt gebruik gemaakt van Youtube, Hotmail, Gmail, Blogsites, Flickr, Facebook, Hyves of allerlei plekken met gratis ruimte voor een webpagina. Dat deze functies zo geruisloos de macht konden grijpen, heeft te maken met het type business model dat kort voor de millenniumwisseling ontstond. Door (duur verkochte) reclames aan te bieden, konden de kosten worden gedekt. Daardoor hoefde er geen bijdrage te worden gevraagd aan de consument. Een dienst kon daardoor snel populairder worden, wat leidde tot gewildere reclameruimte met bijbehorende hogere prijs. Sterker nog, betalen voor opslagruimte, nieuws of een encyclopedie werd meer en meer gezien als achterlijk gedrag. En ook muziek en film zijn, ondanks protesten van de media-industrie, opgeslokt in deze massaperceptie.

Voor MKB-ers, klanten waarbij de kosten niet tegen de reclamebaten opwogen en die ook liever “schone” service hadden zonder die reclame, bestond de mogelijkheid een vergelijkbare service af te nemen voor een klein bedrag per maand. Daarbij werden bovendien garanties geboden in de vorm van een overeenkomst (SLA). Tot het aanbod behoorden centrale backups, ruimte voor de website, email en andere applicaties zoals kantoorautomatisering, customer relationship mamagement of online boekhouding. Zelfs bedrijven als SAP begrepen dat ze de kleinere ondernemingen alleen via dit model binnen konden halen (mySAP). Op Storage on Demand of Infrastructure as a Service (IaaS) en Software as a Service (SaaS) zat niemand te wachten, maar heel geruisloos werd wel steeds meer harde schijfruimte buiten de deur afgenomen, gevolgd door de huur op maandbasis van software die niet op eigen systemen was geïnstalleerd. En dat was niet zo’n gek idee, want als er twee groepen zijn die niets van risicoreductie begrijpen zijn het wel particulieren en MKB-ers. Back-ups maken, bevoegdheden instellen, een veilige plek voor de apparatuur? Die vragen zijn niet aan ze besteed. En doordat de PC nog steeds het apparaat voor interactie bleef, viel het niet op dat software en gegevens wellicht in IJsland of Zimbabwe werden bewaard. Niemand maakte zich druk over “de cloud”. Door software en data niet meer in eigen beheer te hebben, werd hun IT juist betrouwbaarder en veiliger!

Een virtuele computer

Bedrijven die bóven de MKB grens vallen, maar ook MKB-ers met softwareontwikkeling als kernactiviteit en overheden, konden zich de inrichting van een eigen serverkast dan wel rekencentrum permitteren. Hierboven werd al gerefereerd aan de massale rekken met harde schijven en processoren en de overal aanwezige PC’s. Sommige bedrijven lieten hun computersystemen verhuizen naar het rekencentrum van een leverancier. Daar werden ontwikkel-, test- en productieomgevingen aangeboden en zorggedragen voor de juiste versies en licenties. Het geheel werd in één integrale factuur afgerekend. Het prettige van zo’n constructie was dat je – na het maken van een afspraak – je eigen server door een raam kon bekijken en wist welke helpdesk je moest bellen voor problemen. Voor de gebruikers veranderde er niets. Die wísten soms niet eens dat de apparatuur was verplaatst. Application Service Provisioning of ASP heette die aanpak. Maar hoewel de veiligheid en kwaliteit was geborgd, zag de technische werkelijkheid er toch niet altijd precies zo uit als men dacht. De situatie was soms meer vergelijkbaar met Facebook, Gmail of een account op LinkedIn, al was het businessmodel anders. Want grote bedrijven eisen meer volume en rekenkracht, maar ook meer flexibiliteit en zekerheid en willen daarvoor de benodigde investeringen doen in apparatuur en kennis.

Door de opkomst van virtualisatie-software kon op één superkrachtig apparaat een reeks afzonderlijke computers worden gesimuleerd. Dat bood de mogelijkheid om ergens ver weg op één grote machine een heleboel (virtuele) servers beschikbaar te stellen, die naar eigen inzicht konden worden ingezet voor bijv. softwareontwikkeling of testen. “Platform as a Service” (PaaS) wordt dit ook wel genoemd. Om de productieomgeving ook zo te installeren is vaak nog een brug te ver, maar de onvoorspelbare, vaak snel wisselende behoeften van ontwikkeling en testen maken de PaaS-optie interessant door de flexibiliteit ervan.

Naar de cloud

Alle hierboven beschreven ontwikkelingen - van ASP, IaaS, PaaS en SaaS en gratis applicaties “op Internet”, zijn voorlopers en verschijningsvormen van cloud computing. Waarbij moet worden aangetekend dat de ASP-situatie vaak nog niet helemaal compatibel was en is. Als er een speciale glasvezel naar het rekencentrum van een leverancier loopt, en daar is verbonden met op specificatie ingerichte servers, dan zijn er vermoedelijk nog geen wereldwijde, uitwisselbare standaarden gebruikt. En dat betekent dat er nog geen expliciete ontkoppelpunten beschikbaar zijn. Is dit wel het geval, dan kan bij wijze van spreken ergens een schakelaar worden omgezet, waarna de capaciteit van een heel ánder rekencentrum kan worden benut, elders op de wereld. En dan is het een kleine stap naar een continue verplaatsing en spreiding over de wereld. Maar welke gebruiker of manager begrijpt het principiële verschil tussen “een rekencentrum van leverancier X in Amsterdam” en “het cluster van rekencentra van leverancier Y in Chicago, Calcutta en de Eemshaven”? Het is allemáál ver weg en dus “in de cloud”. Al zal de netwerkbeheerder betogen dat er een principieel verschil is.

Om deze subtiele overgang te faciliteren, wordt wel gesproken van een “private cloud”. Dat is de situatie waarbij nog wel volstrekt duidelijk is waar de machines en de gegevensopslag fysiek zijn ondergebracht, maar waarbij al wèl de mogelijkheid is gecreëerd om moeiteloos over te schakelen naar “de echte cloud”.

Wat is het probleem?

Al deze parallelle ontwikkelingen, die via eigen businessmodellen de markt zijn binnengedrongen vertonen een duidelijke verwantschap. Of nu alleen de gegevens “elders” worden opgeslagen (“back-up online”) of dat er sprake is van het gebruik van applicaties die lokaal alleen nog pagina’s aanbieden via een browser (Gmail, Hotmail, Flickr, Youtube, Blogger, Wordpress, Prezi…) maakt niet zoveel uit. Zolang het gratis is, zal het spontaan gebruikt worden en is er geen paraplunaam voor nodig.

Hoewel de betaalde services, waarbij bedrijfsdata “ergens” worden opgeslagen, “ergens” virtuele machines worden gehuurd of “ergens” applicaties staan waarop men een abonnement kan nemen technisch gezien niet wezenlijk anders zijn, wijkt het businessmodel wel af. Voor een bedrijf of overheidsinstantie zijn de data, servers en applicaties assets die de bedrijfsvoering moeten borgen. En hoe koppig en niet commercieel de nerds op de IT-afdeling ook mogen zijn, blijkbaar is het toch erger om niet te weten wie deze assets in handen heeft en in onzekerheid te verkeren over de locaties. Het paraplubegrip “cloud” kan dan angst aanjagen of een fata morgana zijn, van een wereld zonder IT-afdeling. Want één ding verandert drastisch met de komst van de cloud: de gebruikers moeten nadenken over de informatiebehoefte die ze hebben, de snelheid waarmee deze verandert en de verhouding tussen kosten en baten. En als er geen IT-afdeling meer is om de schuld te geven, doordat alles “in de cloud” staat, kan die verantwoordelijkheid een nachtmerrie zijn. Er moeten duidelijke SLA’s worden opgesteld (geen wassen neuzen) en er moet worden nagedacht over informatiebeveiliging. Dus waar de meeste particulieren al in de cloud leven, zijn nog lang niet alle bedrijven eraan toe. En ook al lijkt een megabyte in de cloud goedkoop, in de praktijk zal er minstens duizend maal zoveel worden afgenomen. Daar komt nog bij dat het datatransport en het ophalen of wegschrijven van gegevens apart in rekening wordt gebracht als een soort “verzendkosten”. En het opstellen van goede contracten, het selecteren van de meest passende aanbieder en het bewaken van de afspraken is ook niet zonder kosten. Dus hoe voordelig de opslagtarieven van Amazon ook lijken, de totale kosten liggen veel dichter bij de baten en kunnen deze wellicht overtreffen als er geen huiswerk is gedaan.
Maar ook als er niet wordt gekozen voor een bedrijfscloud, is de cloud allang aanwezig en zijn de muren van het bedrijf transparant geworden door het gebruik van Twitter, LinkedIn of Youtube. Verbieden getuigt niet van een visie en ontslaan of procederen kan niet echt als proactief worden aangemerkt.

Maar hoe ziet de toekomst er dan uit? In ieder geval is de vraag of de exchange-server en documenten bij Amazon moeten worden geplaatst niet meer relevant op het moment dat alle medewerkers allang met Google Apps werken. En als iedereen een eigen iPhone gebruikt komen de plannen voor een mobiele werkplek wellicht te laat…

Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.

Categorie:   
Auteur(s)
afbeelding van guuslohlefink
Guus Löhlefink
Atos Origin - Management Consultant

Guus Löhlefink is Management Consultant bij Atos Origin. Hij is gespecialiseerd in de processen rondom de levering van managementinformatie. Daarbij spelen de administratieve organisatie, de kwaliteit van gegevens, het beveiligingbeleid en menselijk gedrag een grote rol. Bij cloud computing is de invloed van deze factoren nog veel groter.

Nieuwe reactie inzenden

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.
Indien het niet lukt om een reactie te plaatsen, stuur dan uw reactie naar redactie@xr-magazine.nl.
Alle inzendingen dienen correct, professioneel en beschaafd te zijn. IP-adressen worden gelogd, maar niet gepubliceerd. De redactie van XR Magazine behoudt zich het recht voor om anonieme reacties (niet op naam) of zonder geldig e-mailadres, te verwijderen zonder kennisgeving. Ook reacties waarin commerciële uitingen worden gedaan en/of commerciële producten en diensten worden aangeboden worden door de redactie verwijderd of ontdaan van commerciële uitingen zonder kennisgeving.